Zomer in Zweden (4): Marcellus Emants

De reis naar het noorden is romantisch geladen. De ontembare natuur, de folklore en de ogenschijnlijk onbegrensde vrijheid van het Zweedse land lijken welhaast uitgevonden voor de reiziger in de lange negentiende eeuw. Het roept de vraag op wat een naturalist als Marcellus Emants in dergelijke streken te zoeken had. Wat zocht hij tussen al die romantici in het noorden? We lezen het in zijn reisverslag Op reis door Zweden, dat het vierde deel in de reeks verhalen van Nederlandse reizigers in Scandinavië vormt. 

Band van Jacques MösslyDe 1e druk van Op reis door Zweden in een 19e-eeuwse band van Jacques Mössly.

Marcellus Emants
De Nederlandse dichter en schrijver Marcellus Emants (1848-1923) wordt bij uitstek gezien als een vertegenwoordiger van het naturalisme. Zijn roman Een nagelaten bekentenis uit 1894 – met de onverwoestbare openingszin ‘Mijn vrouw is dood en al begraven’ – is misschien wel het bekendste Nederlandse voorbeeld uit deze literaire stroming. Emants wordt soms een voorloper van de Tachtigers gezien, maar met evenveel recht kan hij zelf als een vernieuwer in de Nederlandse literatuur worden neergezet. De epische gedichten Lilith (1879) en Godenschemering (1883) zijn zowel inhoudelijk als stilistisch ‘keerpunten’ in de negentiende-eeuwse poëzie genoemd.

Emants was van gegoede afkomst en kon zich een leven lang wijden aan zijn studie, de letteren en het reizen. Na de dood van zijn vader in 1871 brak hij zijn studie rechten af en richtte hij zich meer op het reizen. Hij bezocht onder meer de Alpen, de Nijl, Amerika, het Verre Oosten, en dus ook Zweden. Kort na het overlijden van zijn eerste vrouw in 1875 trok de jonge Emants naar het noorden. Zijn Zweedse reis vormt, opvallend genoeg, net als bij Potgieter de aanleiding tot zijn prozadebuut in boekvorm, terwijl ook Gerard Keller zijn noordelijke reisschetsen in de beginjaren van zijn schrijverscarrière publiceerde.

Op reis door Zweden
Het naturalisme van Marcellus Emants, zo wordt vaak beweerd, is te herkennen in zijn sobere, directe stijl en zijn streven naar wetenschappelijkheid en objectiviteit. In het verslag van zijn reis naar Zweden vinden we hier slechts ten dele iets van terug. Zijn humoristische schetsen van het noorden en haar bewoners vormen vooral een contrast met het pessimisme waar hij om bekend staat. Een objectief verslag van zijn reis naar het noorden was ook niet direct wat hij voor ogen had. In de inleiding van Op reis door Zweden stelt Emants onomwonden dat de waarde van een reisverslag in de weergave van de subjectieve ervaring ligt:

‘Ik heb getracht op het voetspoor der beste reisbeschrijvers die subjectieve kleur zo sterk mogelijk te doen uitkomen, omdat naar mijn bescheiden mening dit het enig middel is om een reisbeschrijving belangwekkend te maken zowel voor hen, die het land kennen als voor hen, die het nooit bezocht hebben en misschien nooit zullen bezoeken.’

Wie een meer uitgebreide beschrijving of wetenschappelijke beschouwing van het land wenst, wordt door Emants verwezen naar de bekende werken van Gerard Keller en Potgieter, en het boek Herinneringen uit Scandinavië van jonkheer Quarles van Ufford (1818-1902) dat één jaar eerder was verschenen. Hoewel het voor zijn tijdgenoten volstrekt logisch was om naar de bekende reisverslagen over het noorden te verwijzen, kunnen we ook in deze verslagen moeilijk een objectief verslag herkennen. De lyrische en historische schetsen van Potgieter zijn vermakelijk, en de landschapsbeschrijvingen van Keller zijn fraai, maar objectief zijn ze niet te noemen.

Advertentie in 'Het nieuws van den dag' 5 oktober 1877.Advertentie in ‘Het nieuws van den dag’ 5 oktober 1877.

De eerste druk van Op reis door Zweden verscheen in 1877 bij W.C. de Graaff in Haarlem. Eerder had Emants al delen gepubliceerd in het tijdschrift De Banier. De kritieken waren in eerste instantie ronduit negatief. Een anonieme recensent in De Gids was in april 1877 hard in zijn oordeel: ‘De heer Emants schijnt tot zeker soort van jonge lieden te behooren, die zich in het bezit eener voorbarige levenswijsheid verheugen mogen.’ Elders werd hij als ‘weinig oorspronkelijk’ navolger van Heinrich Heine en diens Reisebilder weggezet. Enige maanden later verscheen in de krant Het nieuws van de dag een evenwichtiger bespreking van het werk van Emants door Jan ten Brink. Op reis door Zweden werd door hem in de traditie van Potgieter, Keller en andere Nederlandse reisschrijvers geplaatst. Bovendien had Ten Brink een veel beter oog voor de levendige en humoristische wijze waarop Emants karakters kon schetsen en noemde het terecht een werk met ‘letterkundige waarde’.

Ruim honderd jaar na de oorspronkelijke publicatie werd Emants’ Zweedse reisverhaal opnieuw uitgegeven, in de serie Privé-domein van De Arbeiderspers. Door de opname in deze serie werd zijn verhaal het canonieke negentiende-eeuwse reisverhaal over het noorden, en niet dat van bijvoorbeeld Potgieter of Keller. De stijl van Emants stond waarschijnlijk wat dichter bij de moderne lezer dan die van zijn voorgangers, zijn verslag is nog altijd zeer leesbaar. In het NRC Handelsblad van 13 mei 1983 press Maarten ‘t Hart het strakke, zakelijke proza van Emants’ Zweedse reisverslag. Hij zag een geboren romanschrijver die erin slaagde om zeer overtuigend de types te schetsen die hij onderweg tegenkwam. Tegelijkertijd, zo vervolgt ‘t Hart, had Emants totaal geen talent voor landschapsbeschrijvingen. ‘Geen plant, geen dier wordt genoemd’, hij was een heuse natuurbarbaar in de Hollandse traditie.

Marcellus Emants.Marcellus Emants. Omslag van de uitgave in de reeks Privé-domein in 1983.

Skjutsen en treinen
Marcellus Emants kwam Zweden binnen op een andere plaats dan zijn literaire voorgangers. Hij stapte in Lübeck op de boot naar Malmö en nam van daar de trein naar Jönköping. Het maakt direct duidelijk dat er een verschil is tussen het werk van Emants en de verslagen van een vijftien of twintig jaar eerder. Het spoorwegnetwerk in Zweden was in korte tijd aanzienlijk verbeterd en de belangrijkste steden waren inmiddels allemaal met elkaar verbonden. De westelijke verbinding van Göteborg naar Stockholm was in 1862 gereed gekomen en bracht de reistijd tussen beide steden terug tot achttien uur. De zuidelijke spoorbaan van Malmö naar Stockholm werd in 1874 geopend, slechts twee jaar voor de reis van Emants. Op de kleinere zijbanen ging het allemaal nog niet zo snel: ‘De reiziger, die van Linköping naar Vadstena trekt, moet op een’ afstand van drie uren per spoor, een uur wachten, tweemaal overstappen en driemaal een plaatskaartje nemen,’ merkte Emants tot zijn ongenoegen op.

Het alternatief voor de trein was in 1876 nog altijd de skjuts. Hoewel hij geen fan van de trein was, kon de skjuts hem helemaal gestolen worden. Volgens Emants had Dante ‘de kwelling van de skjuts niet bedacht, waarschijnlijk, omdat hij nooit in Zweden heeft gereisd, maar ‘t is moeilijk na te gaan welk misdrijf hij zulk een wrede straf zou waardig gekeurd hebben.’ Toch moest Emants hele afstanden met dit monsterlijke vervoersmiddel afleggen. Hij had de boot naar de noordelijke haven Piteå genomen en was vervolgens per skjuts het binnenland in getrokken, richting de dorpjes Arvidsjaur en Arjeplog. Wat hij daar precies te zoeken had is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk niets anders dan de ervaring van Lapland. Hij omschreef zichzelf als iemand die uitsluitend voor zijn plezier reisde, maar wie het constante geklaag over alle ongemakken overziet, vraag zich af hoeveel lol Emants nu werkelijk aan het reizen beleefde.

Lapland
Als een soort Willem Frederik Hermans avant la lettre beschreef Emants de voortdurende terreur van de muggen in Lapland: ‘Wie van deze ontzettende plaag het afschuwelijke niet inziet, en nog geen’ eeuwigen haat aan deze diersoort gezworen heeft, omdat de Hollandsche mugjes, de goedigste dieren ter wereld, of zelfs de nijdigere Italiaanse muskieten hem genadig behandeld hebben, reize eenmaal naar Laplands dreven en verwondere zich niet, indien hij waanzinnig terug komt.’

Na alle ontberingen onderweg kwam Emants uiteindelijk in Arjeplog aan. Hij was niet onder de indruk en noemde het een pover stadje. ‘Er stonden een veertigtal donkergrauwe vissershutten, die met de kleine houten kerk de stad heetten te vormen.’ Hij kreeg er echter fatsoenlijk te eten en wist zich in het prettige gezelschap van de lokale commissaris en een schoolmeester. Veel kennis van de wereld buiten Lapland hadden zij ogenschijnlijk niet. Emants moet hen uitleggen dat Holland een zelfstandig land is met een eigen taal, en niet, zoals met name de commissaris scheen te denken, een deel van Engeland of Duitsland met een taal die niet veel anders dan een Deens dialect zou kunnen zijn. 

Emants houdt zijn gesprekspartners voor dat Holland niets minder dan een aards paradijs is. De beste ministers regeren over het land en zij zijn het eigenlijk altijd met elkaar eens. Hoe kan het ook anders in een land waar iedereen op zijn kwaliteiten wordt geselecteerd? Hij vertelt opgetogen over staatsinstellingen, liefdadigheidsinstellingen en handelsontwikkelingen. Over het onderwijs zegt hij:

‘Het onderwijs is in Holland een ‘voorwerp van de aanhoudende zorg der regering’ en de geleerde Nederlanders zijn zoo begerig den titel van Nederlands onderwijzer te dragen en mede te kunnen werken tot de voort galopperende ontwikkeling der Nederlandse natie, dat men het onderwijzend personeel voortdurend op harde proeven moet stellen om te onderzoeken of geen onedele drijfveren in ‘t spel waren toen zij solliciteerden voor een aanstelling. Om dus te voorkomen dat iemand onderwijzer wordt in de verwachting van een lui en lekker leven te kunnen lijden is men er toe moeten overgaan hem een jaargeld toe te kennen, waardoor hij juist voor hongerdood bewaard wordt.’

 

Wat het onderwijs en de salarissen van de leraren betreft is er in een eeuw tijd niets veranderd in ons land. Het gesprek dat Emants minutieus beschrijft heeft natuurlijk nooit plaatsgevonden, al was het maar omdat hij met zijn beperkte Zweeds nooit dergelijke monologen had kunnen houden. Hoewel het goed mogelijk is dat hij in Arjeplog daadwerkelijk met de commissaris en een onderwijzer heeft gedineerd, voert hij ze in het reisverslag doelbewust onwetend op om zijn vaderland op de hak te kunnen nemen.

Na de ironische monoloog over Holland neemt Emants dezelfde weg terug naar de haven van Piteå. Het heeft er de schijn van dat Lapland voor hem geen reisdoel was, maar een literaire wijkplaats waar hij eens lekker af kon geven op Nederland. In Piteå mist hij de boot naar het zuiden en moet tot zijn frustratie vier dagen in het afgelegen stadje doorbrengen. Als hij door de lokale elite op een feestje wordt uitgenodigd, blijkt er zowaar iemand te bestaan die Nederlands heeft geleerd. Aan de hand van een oud woordenboek heeft hij De lotgevallen van Klaasje Zevenster van Jacob van Lennep gelezen, een roman over een vondelingetje die onderdak vond bij een hoerenmadam in een bordeel. Emants ridiculiseert de felle kritieken die de roman in Nederland kreeg door het op te voeren als lesmateriaal van een stel brave Zweden in het slaperige Piteå.

De daaropvolgende beschrijving van Stockholm is in deze context niet meer dan een verplicht nummer. Na het boeiende verslag van Gerard Keller blijft er voor de latere toerist niet veel meer over dan te verwijzen naar diens verslag en eventueel een enkele onnauwkeurigheid te verbeteren of aan te vullen, zo meent Emants. Het haalt veel van de ironie uit zijn eigen verhaal en het geeft de indruk alsof hij een Hollandse Baedeker tracht te zijn. Zijn beschrijving van het nationale museum op Blasieholmen is zó uitgebreid dat je het gevoel krijgt een catalogus te lezen.

Duitsers, Fransen en Engelsen
Emants vervolgde zijn reis in Dalarna waar hij door de lokale bevolking werd opgelicht, afgezet en geschoffeerd. Ze proberen hem dure paarden aan te smeren, hij moet onnodig lang wachten, en zelfs de jongens die zijn koffers dragen trekken de kronen uit zijn zak. De oorzaak van deze ellende? ‘De Engelsen waren er geweest’. In Een zomer in het noorden van Gerard Keller werden Engelse toeristen al als irritante en arrogante reizigers opgevoerd. Emants doet daar nog een schepje bovenop:

‘Waar veel Engelsen doortrekken met hun tal van behoeften, met de sleep van Engelse gewoonten, dien zij met zich voeren, met hunne verwaande onkunde op taalkundig gebied, met hunne hoge prijzen, met het flegma waarmede zij zich plukken laten, daar wordt elk lid der bevolking een slimme roofvogel op de domheid van reizende beurzen, daar wordt elke reiziger een Engelsman in ‘t oog van de inlander en daar wordt het reizen voor ieder ander dan een Engelsman tot een ondraaglijke strijd tegen bedrog en afpersing.’

De Engelsen nauwelijks losgelaten krijgt Emants in Uppsala met de Fransen te maken. Hij ontmoet een dikke oude heer en zijn ‘niet jonge’ vrouw die hem inzetten als gids, vertaler en reisgezelschap. Dit alles zeer tegen de zin van Emants. Hij houdt zich schuil in zijn hotelkamer, neemt in het geniep de stoomboot naar Skokloster en trekt als een beest over paden en velden om de Fransen af te schudden, maar hij raakt ze niet kwijt.

Meer nog dan observaties van het Zweedse land heeft Emants zijn reisverslag gevuld met karakterschetsen van verschillende Europese volken: Duitsers, Nederlanders, Fransen, Engelsen en uiteraard ook de Zweden en Lappen passeren één voor één de revue. Als hij via Gotland en Kalmar weer in Malmö is aanbeland, merkt hij op dat ‘Malmö al geen zuiver Zweeds karakter meer draagt’. Het dialect klinkt er als een mengeling van Zweeds, Duits en Deens, en de vrolijke rode en lichtgele huisjes die heel Zweden sieren hebben plaatsgemaakt voor de ‘treurig grauw gepleisterde hoge steenmassa’s, die met een laag stof en kolendamp bedekt aan de Pruisische steden haar onvriendelijk voorkomen verschaffen’.

Het gemopper op al die verschillende mensen, het hoort een beetje bij de Emants die we kennen uit zijn latere romans. De boot bracht hem over de Sont naar Kopenhagen, en van daar terug naar Holland met zijn kibbelende ministers en onderbetaalde leraren. Het werd er in Nederland niet gezelliger op, maar zoals hij zelf herhaaldelijk antwoord op de ongemakken onderweg: ‘Das ist nun einmal!’ De Alpen, de Nijl, Amerika, het Verre Oosten lagen nog voor hem. En de zomer in Zweden zou niemand hem meer afnemen.

Op reis door Zweden (1877)
De 1e druk van Op reis door Zweden in een 19e-eeuwse band van de Antwerpse boekbinder Jacques Mössly

Literatuur
Op reis door Zweden: schetsen / door Marcellus Emants (Haarlem: W.C. de Graaff, 1877)

Op reis door Zweden / Marcellus Emants ; met een nawoord van T. Anbeek (Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, 1983).

Marcellus Emants, in: G.J. van Bork, P.J. Verkruijsse (red.), De Nederlandse en Vlaamse auteurs: van Middeleeuwen tot heden met inbegrip van de Friese auteurs (Weesp: De Haan, 1985).

Nop Maas, ‘Op reis en toch thuis: de reisverhalen van Marcellus Emants als autobiografisch materiaal’, in: Maatstaf, jaargang 36 (1988).